RAF: het ontstaansverhaal

Er was eens …

Een Alchemist met haar zo rood als vuur, die met haar licht warmte verspreidde in het hart van elk kind dat op haar pad kwam. Haar naam was Roos. Zij woonde in een burcht die gebouwd was met bronzen stenen. De daken en koepels waren gemaakt van gouden marmer. Verschillende kleuren sierden de ramen. De grote ingangspoort was bedekt met klimop van blauwe, roze en witte bloemen. De burcht van Roos werd bewaakt door ondeugende elfen. Nu denken jullie vast: waarom moest de burcht worden bewaakt? Roos wilde een veilige plek voor haar bezoekers. Zij ontving namelijk elke dag hele belangrijke gasten: kinderen van over de hele wereld.

Deze kinderen kwamen naar de burcht met hun zware rugzakken gevuld met twijfels, onzekerheden, angst en pijn. Bij Roos mochten zij voelen. De kinderen leerden dat het ok was om te dromen. Zij leerden dat het juist goed was om fouten te maken, want daar leer je juist van. En het belangrijkste: zij ontdekten dat zij perfect waren zoals zij ZIJN. Toen de kinderen klaar waren om de wereld te versieren met al het mooie dat zij hadden geleerd, gingen zij terug naar huis met hun rugzakken. Alleen nu waren deze gevuld met de schatten van de Alchemist: vleugels om te vliegen (lucht); een strijdend hart om stormen te trotseren (water); een licht om de weg te wijzen (vuur); een sterke wil om als leider zich staande te houden (aarde).

Elke dag stond Roos klaar bij de poort om de kinderen te verwelkomen en hun kleine lichaampjes te omarmen die gebukt gingen onder de druk van de regels van de wereld. En wanneer haar leerlingen door de grote poort naar buiten liepen, keek zij met trots naar hun rechte schouders en gezichten die omhoog keken. Toch voelde Roos zich soms verdrietig als ze aan de kinderen dacht die niet naar de burcht konden komen. Wie zorgde er voor hen? Het liet haar niet los en zij besloot deze kinderen zelf te bezoeken. Roos pakte haar grote fluwelen groene buidel met gouden koordjes en vulde die met de nodige magische spullen. In het venster van haar slaapkamerraam stond haar favoriete bloem, een weelderige witte roos. Zij schoof deze opzij en zette twee bloempotten ernaast. Toen de elfen vroegen waarom zij dit had gedaan, zei Roos: “Wanneer ik terugkom, ben ik niet alleen.”

Haar avontuur begon …

Jaren gingen voorbij en tijdens haar reis ontmoette Roos veel ouders die hun kinderen zagen groeien, maar niet bloeien. De ouders verwelkomden haar en met haar magie sprankelde elk kind. Helaas stond niet elk huis open voor Roos, want sommige ouders vonden haar vreemd. Bij de huizen van deze kinderen liet zij een paardenbloem achter; wensend voor een wonder. Soms verdwaalde Roos en dit was haar teken om te rusten. Zo ook tijdens een heldere nacht in een bos. Zij ging zitten en leunde met haar rug tegen een mammoetboom die was omringd door helderblauwe vergeet-me-nietjes. Haar ogen gingen dicht en Roos liet zich meevoeren door haar dromen. Een paar uurtjes later werd zij wakker door een kriebelende neus. Er zat een vlinder op. Zijn vleugels waren felgroen met gouden stippen. Roos stond op en de vlinder dartelde heel even om haar heen en vloog daarna verder. De vlinder liet een spoor van gouden stof achter. Zij rende achter het groene wondertje aan dieper het bos in.

Ineens stond zij stil aan de rand van een rond donkergroen veld omringd door bomen met bruine, oranje en rode bladeren. Middenin het veld stond een kastanjebruin huisje. Het was een boomhuis en uit elk raam straalde een goudgele gloed. De tuin stond vol met rode, roze en paarse rozenstruiken. De vlinder was inmiddels geland op het witte tuinhek. Toen Roos dichterbij kwam en het hek opende naar het huis, ging de groene deugniet haar voor, dwarrelend over het tuinpad. Roos liep over het houten paadje dat aan beide zijden begroeid was met viooltjes. De vlinder verdween in één van de struiken in de tuin toen Roos voor de deur stond. Net voordat zij wilde aankloppen, ging de deur langzaam open. Het huisje was ingericht met warme bruine en groene tinten. Erg knus. Overal lagen kleurpotloden, pennen en krijtjes. Aan de muren hingen mooie tekeningen en schilderijen. De gloed uit de ramen kwam door de vuurvliegjes in de hangende origami lampjes. Roos glimlachte. De geuren van verse koffie en rooibosthee leidden haar naar het keukentje. Aan de keukentafel zat een vrouw te genieten van haar thee. Zij droeg een donkerbruine broek en een okergele trui. Haar haren waren zo goud als zonnestralen en toen zij opkeek naar Roos glinsterden haar felblauwe ogen.

 

“Jij hebt een lange reis achter de rug. Ga zitten. Jouw koffie staat klaar.”
Roos ging tegenover haar zitten en nam een slok van de heerlijke koffie. “Hoe heet jij?”
“Mijn naam is Anneke. Ik ben een Pixi.”

Ver weg in de burcht, in de kamer van Roos, bloeide in de middelste bloempot een madeliefje met zilverwitte bloemblaadjes met een geel knopje zo helder als de zon.

 

Roos en Anneke samen gingen verder op pad. Zij bundelden hun magische krachten om meer plezier te brengen aan de kinderen. Roos zorgde ervoor dat haar leerlingen lekker in hun vel kwamen te zitten door activiteiten met hen te doen, zoals bijvoorbeeld kokkerellen, dansen, zingen, drummen. De kinderen leerden om deze activiteiten puur vanuit hun gevoel en intuïtie te doen. Zo kregen zij vertrouwen in zichzelf en ontdekten krachten die zij op creatieve manieren gebruikten. Anneke tekende de avonturen die zij meemaakten en de kinderen kregen een portret waar zij op stonden als hun ware IK. Puur, speels en zelfverzekerd. De Alchemist leerde hen alles over de natuur en hoe zij met elementen rust konden creëren in hun leven. Bij de Pixie ontdekten de leerlingen hoe zij hun emoties konden afbeelden. Jij hoeft niet altijd te praten om iets duidelijk te maken; een tekening spreekt alle talen.

Dagen, weken, jaren. Hoe meer landen, hoe meer huizen, hoe meer blije kinderen.

Op een mistige ochtend liepen Roos en Anneke hand in hand. Huppelend over een zandpad werden zij geleid door het woud. Achter hen kwam de zon langzaam op. Dit merkten zij aan de veranderende fraaie kleuren van de mist. Het blauwgrijze werd paarsblauw en roze. Toen zij eindelijk een houten hek aan het eind van het zandpad naderden, waren de groene en bruine tinten van het bos inmiddels omringd door een oranje en gele gloed. Zonnestralen probeerden hun weg te vinden tussen de hoge bomen. Toen Roos en Anneke dichter bij het hek kwamen, ging het op een kiertje open. Aan de andere kant van het hek ging het zandpad over in zwartgrijze ronde stoepstenen. Roos sloot het hek achter hen en zij liepen door. Het leek erop dat zij een nieuwe stad hadden bereikt. Hun voetstappen echoden.

 

“Waar is iedereen?” vroeg Roos.
“Eeh, volgens mij zijn wij in een spookdorp beland?” Anneke keek om zich geen.

Zelfs de opkomende zon kon hier niets betekenen. De muren van de huizen waren gebouwd van stenen met grijze tinten en de daken leken bijna zwart. Op het plein in het midden van het dorp stond een grote kerk. Ook donker met grote ramen, gebrandschilderd met kleurrijke patronen.

“Hè, dat is ook raar. Die kleuren in zo’n somber dorp.” Anneke wilde naar de kerk toe lopen.
“Wacht even. Volgens mij moeten wij anders kijken,” zei Roos.

Toen zij met meer aandacht om zich heen keken, ontdekten zij details van gezelligheid. Door de donkere sfeer viel het eerst niet op. Er waren tuinen, bloemen, schommels, lantaarns. Ook winkels vielen hen ineens op, zoals een bakkerij, groenteboer, speelgoedzaak, chocolaterie. De dames keken elkaar aan. Het kan niet anders. Hier moeten mensen wonen. Ineens hoorden zij belletjes rinkelen.
Roos en Anneke liepen in de richting waar het geluid vandaan kwam. Voorbij het kerk gingen zij een lange straat in met rijtjeshuizen. De deur van het laatste huis werd gesloten. De lantaarn voor het huis dimde.

“Oohh nee!” Roos en Anneke renden door de straat en vervloekten degene die zo’n lange straat in een spookdorp heeft aangelegd. Hijgend kwamen zij tot stilstand voor de laatste deur en klopten. Boven de deur, op de eerste verdieping ging een raam open. Diepzwarte ogen keken naar beneden, recht in hun ogen.

“Hé, ik was al bang dat jullie mij waren vergeten. De deur is open. Kom maar naar boven.” De vrouw sloot het raam.

 

Anneke deed de deur open en samen stapten zij binnen. Zij deden de deur, versierd met belletjes, achter zich dicht. Buiten was het huis net zo donker als de andere, maar binnen … Aan het plafond hingen lantaarns in de kleuren magenta en turkoois. Het huis was ingericht met paarse en groene tinten. Overal lagen handgeschreven notities. Roos en Anneke liepen de trap op, waarvan de leuning was versierd met witte rozen en madeliefjes. Zij schoten in de lach toen zij boven kwamen. De bovenverdieping was vol met boeken. Boekenkasten puilden uit. Op de grond lagen schriftjes en notitieblokken. En ver verstopt in deze literaire chaos stond een studietafel. Op de tafel lag een roze papier met een gedicht:

 

You were born to receive
The Gifts of the Universe
Look up and talk to the stars
Cover yourself with their sparkle
Listen to the wind whispering in your heart
Follow the path where it takes you
Chase your reflection in the waters
Let the waves take your worries away
Open up to the Sun and the Moon
Embrace the light and darkness
Stand firm and root your Legacy
You will not be forgotten
The horizon is your witness
The skies tell your story
The Story of the One
Who became one with the Universe

 

Glimlachend baanden zij een weg door de stapels boeken op de vloer naar het keukentje achterin. Op de tafel stonden drie eenhoornmokken met warme chocolademelk en in het midden een kom met marshmallows. Alle drie gingen zitten en genoten in stilte.

“Wat is jouw naam?” zei Roos.
“Ik ben Fatimah, de Heks.”

Mijlenver in de kamer van Roos bloeide in de laatste bloempot een lila tulp, waarvan de randen van de bloembladen donkerpaars waren.

De burcht riep.

Op hun terugreis kwamen zij veel ouders en kinderen tegen die Roos en Anneke eerder hadden gezien. Ook ouders die eerst niets met hen te maken wilden hebben, kwamen hen tegemoet. Zij zagen hoe de andere kinderen vooruit gingen, sommige sneller dan andere, maar zij bloeiden en daar ging het om. Deze ouders wilden dit ook voor hun kinderen. De Alchemist, Pixi en Heks zorgden voor deze nieuwe leerlingen. Zij kregen een spirit van Roos; een portret van Anneke; een lied van Fatimah.

Helaas moesten zij terug en konden zij niet lang blijven in de steden en dorpen om iedereen te helpen. Onderweg naar huis waren zij stil, diep verzonken in hun eigen gedachten. Eindelijk zagen zij de burcht. Roos, Anneke en Fatimah stonden op een heuvel vol met zonnebloemen en keken naar beneden. Van ver zagen zij dat de blauwe, roze en witte bloemen op de poort helder schitterden. Zij liepen de heuvel af en langzaam liepen zij naar de poort.

“Jij bent erg stil?” zei Anneke tegen Roos.
“Jullie ook.” Roos keek naar hen beide.

De elfen verwelkomden het drietal en dwarrelden om hen heen. Nieuwsgierig naar de verhalen over hun avonturen. Zij begeleidden Anneke en Fatimah naar hun kamers waar zij zich opfristen. Daarna gingen zij naar de kamer van Roos. Zij stond voor het raam. Anneke en Fatimah liepen naar haar toe. Alle drie keken naar hun bloemen en tegelijk zeiden zij: “Wij hebben iemand nodig.”

“Wij hebben gelijk,” lachte Roos.
“Er moet iemand zijn die ons werk kan doen, als wij er niet zijn. Maar wie?” vroeg Fatimah.
Na een korte stilte zei Anneke: “Iemand die wij creëren!”

Een jaar later …

Fatimah wordt rustig wakker door de zonnestralen die door het raam op haar gezicht spelen. Loom keert zij zich om in haar hemelbed van olijfgroene tinten.

“Shinnie Shinnie.”
Langzaam opent zij haar ogen. Zij richt zich een beetje op en kijkt om zich heen. Niemand.
“Shinnie Shinnie,” zegt een piepstemmetje.

Nu zit zij recht overeind zitten. Het komt ergens van boven vandaan. Fatimah gaat op haar bed staan en loopt zo gebalanceerd mogelijk naar de bovenrand aan het voeteinde. Ineens valt zij achteruit. Twee paarse voelsprieten met een maan en sterretje komen naar beneden bungelen, gevolgd door een bol hoofdje en twee glinsterende ogen kijken haar aan. “Shinnie Shinnie.”

“ANNEKE!”